De Verenigde Naties en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) leggen sinds enkele jaren nadruk op het verlengen van gezonde levensjaren. Daarbij draait het niet alleen om het voorkómen van ziekte, maar om het behoud van de functionele mogelijkheden die mensen nodig hebben om zelfstandig te leven. Een internationaal samenwerkingsverband dat pleit voor een positieve benadering van veroudering signaleert dat die achteruitgang eerder begint dan traditioneel gedacht: al rond de leeftijd van 40 jaar kan de intrinsieke capaciteit beginnen te dalen.
Aanbeveling: handelen vanaf 40 jaar
De Multidisciplinary International Positive Ageing Group (MIPAG) promoot een levenslange, proactieve aanpak. In hun visie is het belangrijk om vroeg te starten met maatregelen die de fysieke en mentale reserves beschermen en versterken. Volgens de groep treedt de eerste, geleidelijke achteruitgang vaak al vanaf 40 jaar op; na ongeveer 75 jaar kan de snelheid van achteruitgang toenemen.
“Een proactieve aanpak die erop gericht is de achteruitgang zoveel mogelijk te vertragen zodra deze begint … dat wil zeggen rond de leeftijd van 40 jaar.”
De WHO omschrijft gezond ouder worden als het ontwikkelen en behouden van de functionele capaciteiten die mensen in staat stellen te doen wat belangrijk is voor hun welzijn. Die capaciteiten bestaan uit fysieke en mentale onderdelen, ook wel intrinsieke capaciteiten genoemd, en worden beïnvloed door de leefomgeving.
Wat kan helpen om langer actief en zelfstandig te blijven?
De beschikbare adviezen benadrukken dat meerdere factoren samen bijdragen aan gezonde veroudering. Belangrijke elementen zijn leefstijlkeuzes en aanpassingen in de omgeving die het uitvoeren van dagelijkse activiteiten vergemakkelijken. Concreet noemen deskundigen de volgende aandachtspunten:
- Regelmatige lichaamsbeweging gericht op kracht, balans en flexibiliteit;
- Gezonde voeding die spierverlies en chronische ziekten helpt te voorkomen;
- Mentale stimulatie en sociale betrokkenheid om cognitieve achteruitgang te remmen;
- Vroege signalering van mobiliteitsproblemen of gehoor- en gezichtsverlies;
- Aanpassingen in de directe leefomgeving om zelfstandigheid te ondersteunen.
Door vanaf jongvolwassen leeftijd op deze terreinen te investeren, kan volgens de experts de snelheid van functionele achteruitgang worden vertraagd. Dat geldt zowel voor lichamelijke klachten zoals stijfheid en spierverlies als voor cognitieve functies.
Praktische gevolgen voor beleid en zorg
Als de daling van intrinsieke capaciteiten inderdaad eerder begint, heeft dat gevolgen voor preventiebeleid en de organisatie van zorg. Een verschuiving richting vroegtijdige preventie vraagt onder meer om:
- Meer aandacht in de eerstelijnszorg voor leefstijladvies en vroegtijdige screening;
- Investeringen in publieke voorlichting over bewegen en voeding bij jong-volwassenen en middenvolwassenen;
- Woningaanpassingen en stedelijke inrichting die mobiliteit en sociale deelname vergemakkelijken.
Deze maatregelen kunnen de druk op zorg en langdurige zorg op termijn verminderen door ouderen langer zelfredzaam te houden, zo verwachten voorstanders van de aanpak.
Waar liggen de grenzen van de kennis?
De meeste inzichten komen uit samenvattend beleidswerk en overzichtsstudies; individuele verschillen blijven groot. Genetica, levensstijl en de omgeving spelen elk een belangrijke rol in hoe iemands capaciteit zich ontwikkelt. Dat betekent dat aanbevelingen breed zijn en maatwerk nodig blijft: niet iedereen ervaart op dezelfde leeftijd beperkingen, en interventies moeten aansluiten op persoonlijke behoeften en omstandigheden.
Samengevat pleiten de VN, de WHO en experts voor een omslag van reactieve zorg naar vroegtijdige, levenslange preventie. Door al rond de veertig te beginnen met gerichte maatregelen kunnen mensen volgens deze visie langer actief, soepel en zelfstandig blijven.